Kleurweergave

Licht is opgebouwd uit de drie hoofdkleuren rood, groen en blauw (RGB). Binnen het zichtbare spectrum worden deze gecombineerd. De meest optimale verhouding tussen de drie kleuren geeft het meest natuurlijke licht (wit).
De kleur van de lichtbron (Kelvin) en de wijze waarop kleuren worden waargenomen, zijn mede bepalend voor de wijze waarop men licht ervaart. Ook een relatief koud licht kan kleur op de juiste wijze weergeven. Als regel moet kunstlicht het menselijke oog de mogelijkheid geven om kleuren correct te zien, zoals in gewoon daglicht. Dit hangt uiteraard in zekere mate af van de plaats en het doel waarvoor licht vereist is. Het criterium is hier de kleurweergave door de lichtbron.
Ze wordt uitgedrukt als een "algemene kleurweergave-index" (Ra/CRI). De kleurweergave-index meet de overeenkomst tussen de kleur van een object (zoals dit door het oog wordt waargenomen) en die van een referentie-lichtbron.

Lichtkleuren

De indicator voor lichtkleur is Ra. Dit is een gestandaardiseerde schaal met 100 (1.0) als de hoogste waarde. Alleen het eerste cijfer heeft betrekking op de lichtkleur.
1ste cijfer = 1ste cijfer kleurweergave-index. Naarmate het nummer hoger wordt, nadert deze de kleurindex van de zon. Dit is de meest natuurlijke kleur.
Met name ruimtes waarin kleuren exact hetzelfde moeten zijn als in zonlicht, zijn lichtbronnen met een kleurindexcode van Ra/CRI = 9 (0,90) of hoger, zeer wenselijk (bijv. kledingwinkels en voedingsindustrie).
9<10 Zeer goede kleurweergave aangezien het grootste gedeelte van het kleurenspectrum in de lichtbon zit. Met name ruimtes waar een zeer goede kleurbeoordeling belangrijk is. Dit soort lichtbronnen benadrukken alle kleuren.

Let op! Het nadeel kan zijn dat sommige lichtbronnen met een kleurindexcode 9 (0,90) tot wel 25% minder licht geven dan lichtbronnen met een kleurindexcode 8.
Lichtkleur minder dan 6: Kleurweergave is matig tot slecht bij dit type lichtbronnen. Gedeeltes van het kleurenspectrum ontbreken in de lichtbron en zijn daardoor bijvoorbeeld voor winkels niet toepasbaar. Voor buitenverlichting zoals de “gele” straatlampen, weer wel. Buiten is het herkennen van alle kleuren van minder groot belang.

Meetbaar licht

LED heeft in tegenstelling tot conventionele lichtbronnen geen ultraviolet en infrarood licht in het spectrum.
Het volledige lichtspectrum van een LED lichtbron valt dus binnen het zichtbare gebied. LED licht wordt daardoor vaak als veel intenser en rustiger ervaren door de eindgebruiker.
425 lux LED licht kan daarom in veel gevallen vergeleken worden met 500 lux conventioneel licht.
Dit verschil in lumen uitstroom en hoe het ervaren wordt, leidt daarom met name in lichtberekeningen, maar ook in projecten met een conventionele luxmeter tot de nodige discussies. Voorbeeld: Het is daarom aan te raden om de lumenstroom van een 11 watt LED downlight niet 1-op-1 te vergelijken met de lumenstroom van bijvoorbeeld een 2x26w PLC downlight. Daarnaast hebben veel conventionele downlights slechts een rendement van 60-82%. LED armaturen hebben daarentegen veelal rendementen van 82-100%.